Een van de fijnste manieren om een stad echt te leren kennen, is door er gewoon doorheen te lopen. In Valencia kwam ik al snel uit bij het oude rivierbed dat nu is omgetoverd tot een langgerekt stadspark: Jardín del Turia.
Wat me meteen opviel, was hoe levendig en tegelijkertijd ontspannen het hier voelt. Mensen die sporten, gezinnen die picknicken, en ik die er gewoon tussendoor dwaal zonder echt een doel. Onderweg liep ik ook door de Jardines del Real, wat weer een heel andere sfeer gaf, iets rustiger, bijna statig, maar nog steeds groen en uitnodigend.
Het was ook een soort onverwachte mini-natuurervaring. Overal sinaasappelbomen, met hun frisse geur die af en toe voorbij waaide. De Judasboom stond in bloei met felroze tinten die bijna niet echt leken. Tussen de takken zag ik een monniksparkiet, druk en luidruchtig, alsof hij de plek een beetje had opgeëist.
Dichter bij de grond viel mijn oog op kleinere dingen: een nachtschadebloem die subtiel stond te bloeien en ergens verderop de exotische paradijsvogelbloem, die juist totaal niet subtiel was. Het contrast maakte het eigenlijk alleen maar mooier. Geen haast, geen plan, gewoon rondlopen en kijken. Soms is dat precies genoeg.