De dag begon steil. Vanuit Kotor liep ik via de Skaljari omhoog, die eindeloze trap van zigzaggende paden en haarspeldbochten langs de berg. Zodra de baai onder me kleiner werd, wisten we waarom we dit wilde doen. Maar de Skaljari was pas de introductie: boven wachtte de Vrmac.
Tussen de bunkers van Vrmac
Op de Vrmac-bergrug ligt Tvrdava Vrmac, een Oostenrijks-Hongaars fort dat bijna niemand lijkt te kennen. Het is een lappendeken van gewelven, kazematten en gangen die langzaam door het groen worden opgeslokt. Ik struinde er rond met de rust van iemand die het hele fort voor zichzelf heeft. Geen kaartjesloket, geen gids, alleen het geluid van mijn stappen tussen oude stenen muren. Daarna zakten we af naar Mrčevac, een dorpje dat precies zo stil is als je hoopt.
Een klok op de grond
Verderop, bij Miholjska prevlaka, stopten we bij Crkva Svete Trojice, een orthodox kerkje op een smal schiereiland. Even verderop stond een half afgebouwd gebouw, dat prachtig bij Montenegro past: altijd bezig, nooit helemaal af. Ik heb het fotografisch vastgelegd en ondertussen gekeken naar de zeilboten die in het water dobberden. Mijn telefoon met TrailTrackr deed ondertussen zijn werk en hield de route bij, zonder dat we er iets voor hoefden te doen.
De kust af
De rest van de dag was de kustweg zuidwaarts. Budva was druk en glimmend, met strand, terrassen en torenflats. Petrovac na Moru was een stuk rustiger: een baaitje, een boulevard, de zee die gewoon de zee mocht zijn. In Bar maakte ik nog een stop bij de grote Saborni Hram Svetog Jovana Vladimira, een kathedraal die met zijn omvang opvalt in de stad. En vlak voor het einde van de dag reden we langs Dobra Voda, waar de kust nog één keer van zijn mooiste kant liet zien.
Na een dag vol bergen, bunkers, kerken en kustdorpen kwam ik ‘s avonds aan in Ulcinj. Moe, tevreden, en met het gevoel dat Montenegro in één dag zijn hele repertoire had laten zien.


















