Op een zonnige dag stapte ik uit bij Station Maliebaan, waar de tijd lijkt stil te staan. Dit historische station – met zijn koninklijke uitstraling en statige architectuur – vormt de perfecte entree voor een dag vol spoorwegnostalgie in het Spoorwegmuseum.
Koninklijke Allure
Een van de eerste hoogtepunten was de koninklijke wachtkamer, waar een vriendelijke medewerker ons meenam in de geschiedenis van het koninklijk reizen per spoor. Oorspronkelijk afkomstig uit station Den Haag, ademt de kamer grandeur uit vervlogen tijden. Nieuw dit jaar is de opstelling van de koninklijke rijtuigen: prachtig gerestaureerd, met fluwelen bekleding en gouden details – alsof je zó zou kunnen instappen.
Machtige Machines en Monumenten
Bij het station staat imposant opgesteld: de NS 1768, een krachtige locomotief die nog altijd indruk maakt. Iets verderop staan de NRS107, gevolgd door de robuuste NS 1125 en de sierlijke Nestor 89. Elk voertuig vertelt zijn eigen verhaal, een reis door decennia van Nederlandse spoorweggeschiedenis. In de hal van de Stalen Monsters stuitte ik op de échte krachtpatsers: indrukwekkende stoomlocomotieven die ooit het land doorkruisten. Buiten op de draaischijf draaide de NS 2498 statig rond, omringd door diverse rangeertreinen – een levendig tafereel.
Theater, Miniaturen en De Grote Ontdekking
Een verrassend onderdeel was het Stoom Theater, met een korte film over de legendarische Oriënt-Express. Daarnaast stond een knap gemaakte miniatuur van het oude station Amsterdam, een kunstwerk op schaal. Een persoonlijke favoriet was De Grote Ontdekking, waar het verhaal van de allereerste Nederlandse stoomlocomotief, De Arend, tot leven kwam. In een interactieve ruimte ontdekte ik hoe deze iconische trein ooit mensen versteld deed staan van snelheid en techniek.
Meer Moois op het Spoor
Verderop vond ik de NS 5000, en niet veel later stonden daar ook de NS 1201, Materieel ’36, en de trotse Jumbo NS 3737 – een parade van spoorerfgoed. In de dubbeldekker DDM kon je zelfs plaatsnemen: een leuke ervaring, vooral voor kinderen (én nostalgische volwassenen). Een charmant detail was het schuurtje van Vader – een intieme blik op hoe modeltreinenliefde begint. Buiten trof ik nog de NS 1312 uit Zoetermeer en de NS DM ’90 3426 aan. De reis werd afgerond met een blik op Seinpost Groningen, de bekende Hondekop, en de NS BD9107.
Afsluiting in Stijl (en Drukte)
Terug op het Maliebaanstation werd de dag afgesloten met een korte pauze in het nostalgische stationsgebouw – een fijne overlegplek waar de sfeer van vroeger perfect behouden is gebleven. De terugreis verliep in een nét iets te drukke trein, maar ach… dat hoort er ook een beetje bij.
Aan de noordrand van Brabant, net boven Oss, ligt het historische stadje Megen. Tussen de uiterwaarden van de Maas en het omliggende polderlandschap vormt Megen een verrassend monumentaal geheel. Hoewel het de omvang van een dorp heeft, beschikt het al sinds de middeleeuwen over stadsrechten en een beschermd stadsgezicht.
Tijdens een stadswandeling onder leiding van gids Jan maakten we kennis met de rijke religieuze geschiedenis, bijzondere gebouwen en opmerkelijke bewoners van Megen.
Startpunt: Acropolis Megen
De route begon bij het Acropolisgebouw, waar gids Jan ons opwachtte. Dit gebouw werd oorspronkelijk gebouwd als school van het klooster en groeide van zes leerlingen naar een volwaardige Latijnse School van de Franciscaner orde. De paters waren de docenten en de leerlingen verbleven bij gezinnen in het dorp. Hierdoor ontstond een hechte band tussen de geestelijken en de inwoners van Megen. De school bleef bestaan tot 1967 en werd daarna een gemeenschapshuis. Op de dag van ons bezoek was er toevallig een toneelvoorstelling bezig.
Minderbroedersklooster Franciscanen
Onze wandeling ging verder naar het Minderbroedersklooster. Jan vertelde dat de marmeren platen op de muren eigenlijk beschilderd hout zijn. In vroeger tijden was echt marmer niet per se duurder, maar hout werd gekozen omdat marmer in de winter zou kunnen barsten door de kou. Het handmatig beschilderen van hout om op marmer te lijken vereist veel vakmanschap.
In de tijd dat het klooster werd gebouwd, was Megen een ‘vrije heerlijkheid’ – een autonome regio. Het hoorde niet bij Staats-Brabant en kon daardoor katholiek blijven, terwijl elders alleen het protestantisme werd toegestaan. Het klooster was veel groter dan nodig was voor het kleine stadje en trok daarom ook mensen uit de omgeving aan. Vandaag de dag wonen er nog altijd zes monniken in het klooster.
Everardus Witte
Een aparte ruimte in het klooster is gewijd aan broeder Everardus, geboren als Jan Witte. Hij probeerde meerdere opleidingen te volgen om priester te worden, maar zonder succes. Toch voelde hij zich sterk aangetrokken tot het religieuze leven en trad in 1891 toe tot het franciscanenklooster in Alverna. Daarna verhuisde hij naar Megen, waar hij als portier en huisschilder werkte. In het klooster had je destijds paters (gestudeerd in theologie) en broeders (zonder universitaire opleiding).
Wilhelminastraat
In de Wilhelminastraat zie je nog huizen waarin de studenten van de Latijnse School verbleven. Zij woonden bij inwoners van Megen die als hospita fungeerden. Dit benadrukt opnieuw de verwevenheid tussen religieus leven en burgermaatschappij in Megen.
Sint-Servatiuskerk
Aan de andere kant van Megen staat de Sint-Servatiuskerk, gebouwd in 1872 ter vervanging van een afgebrande kerk. Tegenwoordig wordt het gebouw gebruikt door een Romeens-orthodoxe geloofsgemeenschap. Gids Jan vertelde dat mensen uit heel Nederland hier naartoe komen. Hij is blij dat de kerk op deze manier behouden blijft.
Klooster Sint Josephsberg – Clarissen
Aan de rand van Megen staat nog een klooster: dat van de Clarissen. Hier wonen nog ongeveer zes zusters. Vroeger moesten zusters bij intrede een bedrag van 3000 gulden meebrengen – een fortuin in die tijd. Dat geld werd belegd zodat de zuster van de rente onderhouden kon worden. Zusters zonder dit bedrag verbleven aan de andere kant van het klooster.
Het leven van de zusters was streng afgeschermd. Bij werkzaamheden door mannen werd het klooster gedeeltelijk afgesloten, zodat de zusters geen mannen zouden zien – vanaf het moment van intrede zagen ze nooit meer een man.
Er waren slechts twee plekken met verwarming: in de ziekenboeg en de keuken. Pas toen een arts constateerde dat te veel zusters ziek werden, werd verwarming in het hele klooster aangelegd.
Gids Jan vertelde dat hij meewerkt aan een plan om het klooster grondig te renoveren. Hiervoor moeten zowel de zusters als de overheid akkoord geven, wat meerdere overlegrondes vereist.
De zusters zijn nog steeds actief: ze bakken hosties (de “koekjes” die in de kerk worden gebruikt), geven yogalessen en mindfulness-trainingen en runnen een guesthouse.
Karel Brimeu
Op het centrale plein staat een standbeeld van Karel Brimeu, een belangrijke graaf van Megen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog koos hij de kant van Spanje, waarmee hij in de ogen van sommigen een landverrader werd. Toch wordt hij in Megen geëerd, vooral omdat hij katholiek bleef in een overwegend protestantse tijd.
Beersche Overlaat
De Beersche Overlaat verwijst naar een gebied ten westen van Megen waar de Maas vroeger kon overstromen. In de 16e eeuw werden opzettelijk lage stukken dijk aangelegd tussen Gassel en Linden, zodat overtollig Maaswater daar zijn weg kon vinden.
Later kreeg de naam Beersche Overlaat ook betrekking op een veel grotere noodbedding: een rivierpolder van enkele kilometers breed en ruim 40 kilometer lang, die bij hoogwater onderliep en tijdelijk de vorm aannam van een rivier – de Beerse Maas. Deze situatie bracht veel overlast voor bewoners met zich mee. In 1942 werd de laatste overlaat gesloten.
Bij Megen was een zogeheten compartimenteringsdijk aangelegd, bedoeld om het water in delen te kunnen beheersen. Deze grensde aan het graafschap Ravenstein, en er was vaak discussie over het wel of niet doorsteken van deze dijk bij hoogwater.
Conclusie
De stadswandeling door Megen, onder leiding van gids Jan, gaf een indrukwekkend beeld van een klein stadje met een rijke geschiedenis. Vooral de kloostertradities en de manier waarop religie en gemeenschap eeuwenlang met elkaar verweven waren, maken Megen tot een unieke plek. Door de verhalen over monniken, zusters, studenten, en historische figuren als Karel Brimeu komt het verleden tot leven. Een bezoek aan Megen is een aanrader voor iedereen die houdt van geschiedenis, rust en bezinning.
De Gorsselse Heide staat bekend als een mooi natuurgebied in de Achterhoek, met haar open heidelandschappen, bossen en stille paden. Vol verwachting begon ik aan de Gorsselse Heideroute, een route die – ondanks de naam – verrassend genoeg niet over de heide zelf liep. Toch was het een wandeling vol charmante, onverwachte momenten.
Startpunt: de Zessprong
De route begon bij de Zessprong, een kruising van bospaden waar het altijd een beetje voelt alsof je op het punt staat om een sprookje binnen te stappen. Deze keer echter liep het pad niet de natuur in, maar… langs de weg. Niet bepaald wat je verwacht als je ‘heideroute’ leest.
Maar goed, elk avontuur begint met een open blik. En al snel werd dat beloond: onderweg kwamen we een oude groene Volvo tegen.
Landelijk Eefde & varkens langs het spoor
De wandeling leidde verder richting het landelijke buitengebied van Eefde, waar je het gevoel krijgt dat de tijd net iets langzamer gaat. Hier staken we een spoorlijn over, met zo’n overweg waar je de stilte letterlijk hoort zodra de trein gepasseerd is. Net daarna troffen we een stel varkens in een omheind weitje – nieuwsgierig, modderig, en duidelijk gewend aan wandelaars.
De hengel-geocacher
Misschien wel het meest opvallende moment van de tocht: een ontmoeting met een fanatieke geocacher, gewapend met een hengel van minstens vijf meter. Geocaching is een spel en vrije tijdsactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een gps-ontvanger of telefoon met deze functie om ergens ter wereld een zogenoemde cache (verstopplaats) te vinden. We zagen hem worstelen met een object hoog in een boom – een geocache, zo bleek, die alleen met zo’n hulpstuk bereikbaar was. Een prachtig, droogkomisch tafereel dat je niet verzint.
En de heide dan?
Toch bleef er één gedachte knagen: waar is de heide? De route draagt haar naam met trots, maar liet het mooiste stukje van het gebied links liggen. De paarse velden, de open horizon, de stilte van het heidelandschap – dat miste ik toch wel. Een gemiste kans, zeker voor wandelaars die voor het eerst kennis willen maken met de charme van de Gorsselse Heide.
Conclusie
De Gorsselse Heideroute was een wandeling vol kleine verrassingen en landelijke charme. Van oude auto’s tot slimme geocachers – het is een route die je laat glimlachen. Maar als je écht de heide op wil, kun je beter een alternatieve route kiezen of een stukje zelf uitstippelen. Want soms is het mooiste pad… niet de officiële.
De vierde etappe van het Brabants Vennenpad brengt me van Son en Breugel naar Geldrop. Een route die natuur en geschiedenis combineert met bijzondere ontmoetingen en onverwachte details.
Start bij de Sonse Brug
Mijn wandeling begint bij de Sonse Brug in Son en Breugel. Al snel passeer ik het plaatsje Driehoek, waar ik een groep hardlopers in fluorescerende pakjes tegenkom. In een dertig jaar oude Volvo spelen kinderen.
Langs de Dommel naar Nederwetten
Ik volg de Dommel richting Nederwetten en begeef me door modderige paden. De oude toren van Nederwetten staat nog steeds trots overeind. Hoewel de stad Eindhoven dichtbij is, blijft de omgeving hier verrassend groen. De modder maakt het zwaar, maar de aanblik van zwanen en ganzen in de rivier, en een buizerd in een boom, maken veel goed.
Kasteel Eckart en een bijzondere ontmoeting
Bij Kasteel Eckart hoor ik plotseling een man luid iets onverstaanbaars roepen. Naast hem loopt een vrouw die er totaal niet op reageert. Ik vermoed dat dit deel uitmaakt van Woonparken Lunet, een plek waar mensen met een beperking worden opgevangen. Het oude landhuis en de omringende tuinen geven de plek een bijzondere sfeer.
Even later zie ik drie dames die enthousiast staan te praten bij een Renault 5, een elektrische auto die hen duidelijk fascineert. Zelf had ik de auto nauwelijks opgemerkt, maar hun enthousiasme werkt aanstekelijk.
Opwetten en de Opwettense Watermolen
In Opwetten bloeien de krokussen volop, een teken dat de lente in aantocht is. Hier kom ik langs de Opwettense Watermolen, een plek met een rijke geschiedenis. De molen dateert uit de 11e eeuw en is door de eeuwen heen meerdere keren herbouwd. Met zijn imposante waterrad en het historische molenaarshuis is dit een indrukwekkende plek. Vincent van Gogh legde de molen vast op een schilderij in 1885.
Eeneind en de Collse Watermolen
Na het oversteken van de A270 kom ik in het dorpje Eeneind, waar de krokussen opnieuw in volle bloei staan. Vroeger was hier een station, maar dat is inmiddels verdwenen.
Niet veel later bereik ik de Collse Watermolen, een molen die al sinds 1460 bestaat en zowel als koren- en oliemolen dienstdeed. In de loop der tijd raakte het complex in verval, maar dankzij restauraties is de molen sinds 2003 weer in bedrijf. Het is de enige watermolen in Zuid-Nederland die zowel koren kan malen als olie kan slaan.
De Kleine Dommel en het Eindhovens Kanaal
De route voert verder langs de Kleine Dommel, een laaglandbeek die haar oorsprong vindt bij de Belgische en Limburgse grens. De beek slingert door het landschap en mondt uiteindelijk uit in de Dommel bij het Eckartse Bos. De oevers zijn drassig en vol riet, waardoor het pad soms moeilijk begaanbaar is.
Bij de Hulsterbrug steek ik het Eindhovens Kanaal over. Hier ligt een binnenvaartschip, een stille getuige van de handelsroutes die ooit van groot belang waren voor de regio.
Aankomst in Geldrop
Mijn wandeling eindigt in Geldrop, waar ik langs Kasteel Geldrop en de Sint-Brigidakerk kom. Het is een mooie afsluiting van een afwisselende etappe vol natuur, geschiedenis en bijzondere ontmoetingen. Bij station Geldrop sluit ik de dag af, met een hoofd vol indrukken en een rugzak vol verhalen.
Conclusie
Deze etappe van het Brabants Vennenpad biedt een prachtige mix van natuur en historie, met modderige paden, historische watermolens en verrassende ontmoetingen. De route laat zien hoe het Brabantse landschap zich moeiteloos afwisselt tussen stad en natuur.
Tijdens een recente reis bezochten we het Eise Eisinga Planetarium in Franeker, en het was een indrukwekkende ervaring. Dit museum, gevestigd in een historisch grachtenpand, herbergt het oudste nog werkende planetarium ter wereld. Het is een fascinerende combinatie van wetenschap, geschiedenis en vakmanschap.
Het Verhaal Achter het Planetarium
Eise Eisinga, een Friese wolkammer en autodidact in de astronomie, bouwde dit planetarium tussen 1774 en 1781 in zijn eigen woonkamer. Hij deed dit als reactie op de paniek die ontstond door een voorspelde samenstand van planeten, waarvan sommigen dachten dat deze het einde van de wereld zou betekenen. Met zijn planetarium wilde Eisinga laten zien dat deze voorspellingen onterecht waren. Wat Eisinga creëerde, is ronduit verbluffend. Het mechanisme, aangedreven door een slingeruurwerk en houten tandwielen, geeft de actuele stand van de planeten in ons zonnestelsel weer met een ongekende precisie. Dat dit systeem na ruim 240 jaar nog steeds functioneert, is een bewijs van zijn vakmanschap en inzicht.
De Beleving in het Museum
Bij binnenkomst in het museum word je meteen ondergedompeld in de wereld van Eisinga. Het planetarium zelf is het absolute hoogtepunt: in de historische woonkamer bewegen de planeten langzaam over het plafond, precies volgens hun werkelijke banen. Het is een bijzondere ervaring om te beseffen dat dit eeuwenoude mechanisme nog steeds werkt zoals Eisinga het ontworpen heeft. Naast het planetarium biedt het museum een uitgebreide collectie over astronomie, historische instrumenten en de wetenschappelijke context van Eisinga’s werk. Ook is er een expositieruimte met moderne uitleg over de astronomie van vandaag de dag, waardoor het museum niet alleen een historisch monument is, maar ook een educatieve ervaring.
Onze Indruk en Foto’s
Tijdens ons bezoek hebben we verschillende foto’s gemaakt die de schoonheid en complexiteit van het planetarium laten zien. Van de ingenieuze houten tandwielen tot het gedetailleerde plafondmechanisme, elk aspect van Eisinga’s werk getuigt van toewijding en vakmanschap. De combinatie van geschiedenis en techniek maakt dit museum tot een absolute aanrader voor zowel liefhebbers van astronomie als geschiedenis.
Conclusie
Het Eise Eisinga Planetarium is een unieke bestemming die laat zien hoe één man, met doorzettingsvermogen en kennis, een blijvend meesterwerk kon creëren. Het is een plek waar wetenschap en geschiedenis samenkomen en die je met een diepe waardering voor Eisinga’s werk verlaat. Mocht je ooit in Friesland zijn, dan is een bezoek aan dit bijzondere museum zeker de moeite waard!